Zondag, rustdag

Persoonlijk

Na de nagenoeg slapeloze nacht van vrijdag op zaterdag en de talloze ritjes in de monorail was ik toe aan wat rust. Ik boekte, in het hotel, na het opfrissen, een vlucht naar Fukuoka, voor maandag eind van de ochtend en na een Facetime-moment met de familie in Deventer viel ik al snel in een diepe slaap. Later, ik weet niet of het nog zaterdag was, of al zondag, heb ik nog wat gegeten en gedronken en vervolgens mijn bed weer opgezocht. En weer heel diep en lang geslapen.

Tot rust komen bleek nodig. Als ik maar doordender, breekt me dat uiteindelijk op. Daarom de beslissing genomen om van deze zondag een rustdag te maken. En dat ook gedaan. Dus veel en goed geslapen, het hoofd is weer wat rustiger. Heb de blogpost over zaterdag geschreven en gepost, een hotel in Fukuoka geboekt en zelfs wat voorzichtig gepland voor de etappe daarna.

Morgen is er weer een dag. Maandag, haha!

Monorail en geen kasteel

Persoonlijk

De nacht van vrijdag op zaterdag was een typische. Mijn hoofd maalde maar door. Niet alleen met het verwerken van de opgedane ervaringen, maar met van alles wat helemaal niets met deze reis te maken had; herinneringen aan vroeger, vooral de leuke; mijmeringen over problemen en hoe die op te lossen, vooral op het gebied van een badkamer verbouwen; een alomvattende theorie over hoe het geheugen van de wanden van zwarte gaten samenhangt met de menselijke ontwikkeling, quantum computing en bewustzijn — die ik trouwens al grotendeels vergeten ben; en nog veel meer dat me uit de slaap hield.

Al voor 10 uur (want uitchecken!) en met uiteindelijk iets van drie uur geslapen te hebben, dropte ik mijn bagage bij het ‘nieuwe’ hotel en liep naar het dichtstbijzijnde monorail-station van Yui Rail — één lijn met 19 haltes, van het vliegveld naar Tedako-Uranishi en terug.

Het station Omoromachi ligt pal naast een gigantisch winkelcentrum met shops van Prada, Louis Vuitton, et cetera. Ik nam de monorail naar het vermelde eindpunt. Dat leverde een aardig overzicht van de omgeving op: eindeloos veel gebouwen, tot bijna aan de horizon, aan beide kanten. En aan die horizon was nog net een strook zee te zien. Okinawa is een smal eiland.

Op het eindpunt beland leek het me tijd een bestemming te bedenken. Wat bleek? Niet ver weg was Shurijo Castle Park, een paar haltes terug. Het kasteel was het paleis van het Ryukyu-koninkrijk tussen 1429 en 1879, het jaar waarin Okinawa bij Japan kwam te horen.

De weg ernaartoe vanaf Shuri Station was duidelijk aangegeven en niet al te steil. Dat werd eenmaal in het park anders: de vestigingswanden en de toegangswegen waren natuurlijk ooit bedoeld om het belagers zo moeilijk mogelijk te maken en daar hebben toeristen nu nog last van. Het was echt klimmen…

En toch de moeite waard om het park te bekijken. Tussen het puffen door, dat wel.

Het kasteel zelf? Niets van over. Al snel nadat de koninklijke familie het verliet, viel het in verval en wat er nog van over was werd in de slag om Okinawa aan puin geschoten. Na de oorlog gebruikten de Amerikanen het terrein als hoofdkwartier en dergelijke en pas veel later werden de bastions zo goed mogelijk hersteld en het geheel een Unesco Heritage Site.

Geen kasteel dus, maar wel een tempel en wat andere gebouwen, waar veel toeristen de koelte opzochten. Dat deed ik dus ook. In het bezoekerscentrum kocht ik een souvenir-handdoekje om het zweet een beetje op te wissen en zocht op mijn iPhone naar een koffietentje (zoekterm ‘Specialty coffee’). Niet ver van het bezoekerscentrum vond ik Rokkan Coffee Shuri, een kwartiertje lopen bergaf (!).

Onderweg weer veel typisch Japans gezien en gefotografeerd, zoals deze Memphis-stijl-achtige betonnen woning.

Het koffietentje bleek een fikse koffietent. Met een hippe man achter de counter, een grote sortering aan koffiebonen, lekkere dingen en een Loring-brander in de hoek

Ik moest er even op wachten, maar de latte (flat white stond niet op het menu…) met een Colombiaanse Peach was voortreffelijk en de Breakfast Toast lekker. Ik heb er veel foto’s gemaakt (studiemateriaal!) en ben na deze late lunch naar het dichtstbijzijnde monorail-station (Shuri) gelopen. De mono bracht me naar het vliegveld, het eindpunt dus. Dat wou ik even zien omdat het bij mijn aankomst donker was, maar vooral omdat er heel veel tieners in de mono die kant opgingen. Duidelijk niet met de bedoeling te gaan vliegen, want geen bagage, wat de vraag opriep waarom?

Het antwoord is dat het vliegveld van Naha eigenlijk een gigantisch winkelcentrum is, van waaruit je ook het vliegtuig kunt pakken. Duh.

Terug in de mono. En nu uitgestapt nabij het winkel- en uitgaanshart van Naha. Op Kokusai Street genoot ik van een aardbeiensmoothie en genoot wat minder van de hustle en bustle.

Eind van de middag stond de teller wel bijna op nul en ben ik teruggegaan naar het hotel. Eerst een stukje met de mono (wie goed geteld heeft, weet dat dit de vijfde rit was) en toen nog bijna twee kilometer te voet. Bij een konbini nog wat te drinken en eten gehaald, ingecheckt, gedoucht en gaan liggen.

Mijn dag was dus monorail en geen kasteel. En veel.

Een dag met twee gezichten

Persoonlijk

Deze vrijdag had ik wat in te halen, vond ik. En dat heb ik ook geprobeerd (…). Om te beginnen er vroeg uit en op weg. Eerste stop het Okinawa Prefectural Museum and Art Museum, bijna tegenover het hotel gesitueerd. De buitenkant een soort betonnen bunker, geïnspireerd op de oude forten, van binnen sprekend en des periodes anno 2007 vormgegeven.

Het aan de geschiedenis en cultuur van Okinawa gewijde deel was interessant, het kunst-gedeelte minder, maar daarover verderop meer.

Natuurhistorie en cultuurhistorie, wie houdt er niet van? Ik wel. Wat te denken van deze display met sanshins, tokkelinstrumenten naar Chinees voorbeeld, maar door de craftsmen van Okinawa op eigen wijze geïnterpreteerd. Word ik blij van.

De geschiedenis van Ryukyu (zo noemden de inwoners het vroeger) is geprangd door de positie die de eilandengroep inneemt tussen Japan, China en de rest van Zuid-oost Azië. Het was heel lang een zelfstandig koninkrijk, alhoewel met instemming van de keizers van China, maar werd in de tweede helft van de negentiende eeuw veroverd/geannexeerd door Japan, dat vervolgens veel werk maakte van het uitbannen van de lokale taal en cultuur. Japanisering!

De tweede wereldoorlog werd Okinawa (die naam had de Japanse prefectuur inmiddels) fataal. Bij de invasie door Amerikaanse troepen vielen ontelbaar veel slachtoffers onder de burgerbevolking. En ook na beëindiging van de oorlog had men het zwaar te verduren onder de bezetting door het Amerikaanse leger. Schrijnende voorbeelden genoeg in het museum, zoals deze gebruiksvoorwerpen die uit afgedankt oorlogsmateriaal zoals vliegtuig-aluminium vervaardigd werden, omdat er gebrek was aan andere middelen.

Uiteindelijk werd Okinawa in de jaren zeventig weer onderdeel van Japan (hoewel er ook toen al een significante onafhankelijkheidsbeweging was.

En nu over het kunstmuseum: een aardige overzichtstentoonstelling van een lokale kunstenaar van wie de naam me ontschoten is en een zaaltje met werken van circa 1870 tot nu, met een enkele uitschieter, maar gemiddeld vrij nietszeggend. Hier spreekt de enige aki-student die voor zijn eindexamen een werkstuk kunstgeschiedenis ingeleverd heeft.

Na een bescheiden lunch in het Museum Café (sandwich met groenten, iced koffie en lassi) lag het in de bedoeling dat ik richting haven zou lopen, maar daar kwam al snel wat tussen door ten eerste regen, en vervolgens opspelende buikpijn. Een nabijgelegen McDonalds kwam erg gelegen omwille van hun toilet. En na een langere pauze op mijn hotelkamer kon ik opgefrist en wel weer aan de tweede etappe beginnen.

Ik vind bij het door een stad lopen altijd iets dat je aandacht trekt en vooral als je afwijkt van de gebaande paden en de zijstraten en woonbuurtjes verkent, ontdek je allerlei leuks…

De haven dus. Het is nauwelijks zichtbaar maar er had net een veerboot aangemeerd.

Iets verderop, en route naar een koffietentje dat ik op Maps gevonden had, zag ik deze twee auto’s. Opeenvolgende nummers!

In Coffee Barista was ik mijn verbazing hierover nog niet te boven. De iced americano was okay. Dark roast en dat pruimen we eigenlijk niet echt meer, maar goed…

Het was de hele dag drukkend warm. Ruim over de 30 graden en een hoge luchtvochtigheid. Dat er op Naminoue Beach niet meer mensen waren zou ermee te maken kunnen hebben dat het af en toe regende. Dat kunstwerk is trouwens de Naminoe-Hashi Bridge.

Na uitgerust te hebben, ging het verder. En route weer de meest vreemde bouwsels gezien. Om een overload aan beelden te voorkomen (letterlijk: vorig jaar kreeg ik ruzie met mijn hostingbedrijf over het teveel data gebruiken), hou ik het bij een enkel voorbeeld.

Ook typisch Japans: soms iets heel ouds, kleins en gammels.

En ook typisch Japans: de liefde voor vintage automobielen, in dit geval een Cobra (als-tie echt is). Een Mercedes-bus als hier heb ik ook nog nooit gezien.

Een tuin voorbij lopen doe je niet. Zeker niet als deze naar Chinese voorbeelden gemaakt is: de Fukushuen Garden. Voor een paar honderd yen mag je erin. Veel karpers, bomen, kunstmatige grotten en bergen, een paviljoen, bruggetjes, karpers en bamboe. En een restaurant helemaal in een hoek achterin.

In dat gelijknamige restaurant heb ik getest of mijn maag al tot bedaren was gekomen. Een zero-biertje en een bescheiden portie gebakken rijst met garnalen viel niet verkeerd.

Het was inmiddels donker geworden en al na zeven uur. Teruglopen naar het hotel wou ik niet. Een busroute vond ik redelijk vlot, maar de dienstregeling zat niet mee. Ruim een half uur wachten en een kwartiertje met de bus onderweg — dat was net zolang als de routeplanner aangaf wat ik kwijt was geweest aan teruglopen. Live and learn.

Zo kwam ik tegen acht uur op mijn basis terug en kon gelijk wat administratieve zaken oppakken waarover ik verder niet wil uitweiden, en ging ik aan de slag met deze post, die weer veel langer is geworden dan bedoeld.

Morgenvroeg moet ik uitchecken. Heb nog geprobeerd mijn verblijf te verlengen, maar helaas, men was volgeboekt. Het alternatief lag links naast de voordeur: het Toyoko Inn Hotel en daar had men nog plek voor me. Morgen verhuizen!

De eerste dag in Naha

Persoonlijk

Die ging niet helemaal als gepland. Ook al was er nog niet echt een plan, maar toch. Ik versliep me danig, blijkbaar zat de reis nog in mijn lijf. En om niet gelijk al achterop te raken heb ik na het opstaan de voorgaande blog geschreven.

Mijn hotelkamer heeft een voor Japanse begrippen ruime opzet. Het toilet is zelfs apart van de badkamer, wat ik nog niet eerder gezien had tijdens mijn twee vorige bezoeken aan Japan. Daar stond dan weer tegenover dat er wat minder amenities waren dan anders, maar daar kan ik mee leven, ik heb mijn eigen tandenstokers bij me.

Na even opgefrist te hebben ging ik erop uit. De hal van het hotel had wat wat weg van een gevangenis, vond ik. Twee vleugels met kamers en onder in het atrium een (ongebruikte) wellness-zone. De twee rode objecten op de voorgrond zijn voor gebruike handdoeken. Schone (en droge!) kun je ophalen bij de receptie.

De facade van het hotel laat een vertekend beeld zien. Volgens mij horen die balkons aan de voorkant bij appartementen en ligt het echte hotelgedeelte wat meer naar achteren. Zoals overal in Japan wordt de beschikbare ruimte optimaal gebruikt.

Awel, eerste opgave van de dag was de omgeving verkennen en een geldautomaat opsnorren om cash binnen te harken. Die heb je echt nodig, hoewel vaker dan voorheen digitaal betalen mogelijk is. Niet ver van het hotel zijn er twee konbini, de alomtegenwoordige convenience stores Japanese style. In deze Family Mart was er een geldautomaat en ook een weer belachelijk groot assortiment aan hapjes, drankjes, snacks, dingetjes. Ik kocht wat te drinken en vervolgde mijn ontdekkingstocht door de buurt.

Die tocht duurde niet lang, want ik had me een beetje verkeken op mijn kleding — veel te veel en te warm voor de omstandigheden — en ik kreeg een halve flauwte. Reden om mijn hotelkamer weer op te zoeken.

Op de kamer kwam ik weer wat bij met koud water, een tamago sando en een onigiri. Meer dan dat kon ik niet eten. Ben mails en het nieuws gaan lezen (Paulien Cornelisse overleden!) en begin van de avond gaan slapen met de bedoeling om op vrijdag het veel beter te gaan doen.

Twee dagen, twee vluchten

Persoonlijk

Dus. Zo’n beetje een volle dag reizen. Op dinsdag de eerste etappe, met de trein van Enschede naar Schiphol was natuurlijk weer de meest stressvolle; in Hilversum was het gedaan met de reguliere dienstregeling, de trein ging niet verder. Het vervolg in een Sprinter was zeker geen sprint, met heel veel tussenhaltes kwam ik uiteindelijk een half uur later dan gepland op Schiphol aan.

Vanaf Schiphol was de tweede etappe, de vlucht naar Hongkong in vergelijking een makkie. De stoel was prima, de beenruimte nog beter, en de buurvrouw een kleine Chinese vrouw die amper bewoog. Ze keek Disney-films op haar scherm — zonder geluid, want zonder koptelefoon — en ik keek half met haar mee: Mulan (de eerste versie denk ik, met Kirsten Bell), daarna Mary Poppins tweemaal (!) en vervolgens nog Mary Poppins, de remake met Emily Blunt. Haar timing was goed, want we konden de laatste nog net uitzien voor de landing in Hongkong.

Het obligate plaatje van de lunch… Excuses voor de onscherpte.

En nog obligater: de zon gaat onder; we vliegen de woensdag in.

Door het tijdsverschil (in Hongkong is het zes uur later dan in West-Europa) arriveerde ik op woensdagochtend op HKA. De landing was heel wat minder spectaculair dan in het verleden, toen het vliegveld op de originele lokatie berucht was om de extreme omstandigheden. Het huidige is trouwens alweer uitgebreid met een immens gebouw. Maar dit beeld maakt wel duidelijk dat men nu echt in China is.

Omdat ik ruim acht uur moest wachten op mijn aansluitende vlucht, settelde ik me ze goed en zo kwaad als het kon in een kronkelige bank waarop ik geen comfortabele houding kon vinden, maar wel mijn iPhone kon opladen.

Al browsend in de app van HKA ontdekte ik dat er shower rooms waren waar de vermoeide reiziger zich gratis kon opknappen middels een warme douche. Heel erg vermoeid was ik niet, maar wel bezweet (het was warm in Hongkong), dus waagde ik me aan het avontuur. Dat liep al snel tegen de eerste barrière op: bij dat gratis douchen was geen handdoek inbegrepen, die kon je aanschaffen in een vending machine. Een kast met uitgebreide instructies — in het chinees. Uiteindelijk lukte het me met hulp van een vriendelijke dienstdoende een pakketje te scoren met een wel heel erg flimsy non-woven lap met het formaat van een handdoek, maar het opnemend vermogen van een velletje papier. Het afdrogen ging niet geweldig, maar het douchen was fantastisch.

Aldus geheel en al opgeknapt ging ik weer wachten. Na een uur of twee werd dat vervelend. Ik zocht uit waar gewoonlijk de vluchten naar Okinawa vertrokken en dat bleek in de nieuwe terminal te zijn. Die uitbreiding is een flinke afstand verder en verbonden middels een loeisnelle metro. Die ik dus nam.

Hier was het wachten minder vervelend; er was veel te zien aan mensen en architectuur. Een behoorlijk goede flat white uit een hip barretje hielp de zinnen te verzetten. Eten lukt me meestal niet op reis. Dat in het vliegtuig stond me voornamelijk tegen en mijn maag voelde ook niet goed: beter om met eten op te passen.

Uiteindelijk werd de vlucht naar Naha aangekondigd en kon de tweede leg van mijn reis naar Okinawa van start. Nu was mijn plek een stuk minder comfortabel. Simpele economy in plaats van Plus, een kleiner vliegtuig, geen schermen en geen drankjes – een veredelde busreis door de lucht. Mijn buurman links zat de hele vlucht van een uur of drie vrijwel bewegingsloos, de buurvouw rechts, een klein chinees meisje, idem dito, maar dan opgekruld als een pretzel. Geen idee hoe ze die houding volhield, maar ze deed het wel, de hele vlucht lang.

Aangekomen in Naha duurde het even voor ik immigratie en douane achter me had (een ontbrekende ‘1’ in mijn QR-code…), maar om kwart voor zeven lokale tijd, dus even voor twaalf uur in de middag in Nederland, achtentwintig uur nadat ik in Enschede de trein nam, stond ik bij de taxistand voor het vliegveld-gebouw.

En een kwartiertje later, na een dolle rit door het donkere en drukke Naha, want avondspits en een enthousiaste en ongeduldige chauffeur, arriveerde ik bij het geboekte hotel.
Na een fijne douche keek ik nog naar een nieuwe aflevering van Ted Lasso en viel daarna al snel in slaap. Morgen, donderdag, de eerste echte dag in Japan!

Goodbye Tokyo, Sayonara Japan

Persoonlijk

Wie heeft dat ook, dat je slecht slaapt de nacht voor je op reis gaat, vooral als het per vliegtuig gebeurt? Bij mij is dat meestal het geval. Zo ook de laatste nacht in Tokyo. Met nog geen zes uur zzzz’s op mijn slaapconto begon de dag niet optimaal. Maar eenmaal opgefrist en met alle spullen ingepakt ging ik toch redelijk opgewekt proberen iets te maken van de laatste dag in Japan. Ik dropte mijn bagage bij de balie van het hotel en wandelde naar metrostation Ryogoku om op een willekeurig station op de Oeno-lijn uit te gaan stappen.
Op weg naar het station werd ik weer eens geconfronteerd met dit verschijnsel: meerdere in een uniform gestoken mannen (en soms dames) die blijkbaar als functie hebben om de verkeersafwikkeling bij de in–, cq uitrit van een parkeergarage of bouwterrein te regelen. Typisch.

Station Iidabashi leek mij een aardige plek om weer op te duiken. Qua vormgeving was dit een vreemde eend in de bijt. De perrons waren bijzonder ruim opgezet en een dergelijk gewelf had ik ook nog niet eerder gezien.

En wat te denken van deze vreemde constructies boven de roltrappen. Roltrappen waar er meerdere van bleken te zijn en die heel lang waren. Zouden de heren Van Benthem en Crouwel trouwens inspiratie opgedaan hebben in Tokyo voor hun douane-emplacementen in ons land?

Vlak bij Iidabashi Station bleek het oudste park van Tokyo zijn, Koishikawa Korakuen Garden. Dat leek mij een geschikte plek om de dag mee te beginnen. De dag beloofde namelijk redelijk warm  te worden — de weersverwachting was 27 graden zonder kans op neerslag — en in parken is het vaak koeler en rustiger.

Je zou kunnen denken dat ik de laatste vier weken wel genoeg parken gezien had, maar, om eerlijk te zijn, ik ging ze steeds meer waarderen. Ook omdat de informatie die je gaandeweg opdoet je meer inzicht geeft in het hoe en wat en vooral waarom van de verschillende aspecten van de ‘gardens’. Deze was bijvoorbeeld begin 17e eeuw aangelegd in opdracht van een zoon van Tokugawa Iegasu, Shogun van 1603–1605 (zie de gelijknamige tv-serie uit 2024, een aanrader), ontworpen door een Chinese Confuciaan, Zhu Zhiyu. Allerlei elementen, zoals bepaalde heuvels, de vijver of een kunstmatig eiland in die vijver, refereren aan beroemd plekken in China en Japan. 

Wat altijd verrassend is: het contrast tussen de tuin en de omgeving. Hier op de achtergrond de Tokyo Dome, een overdekt honkbalstadion.

Inmiddels was de ochtend al behoorlijk gevorderd en moest ik bedenken wat de volgende etappe ging worden. Dat je de beschikking hebt over iPhone met uitgebreid data-pakket is dan weer makkelijk. Op iets minder dan een kilometer lopen vond ik het Printing Museum, gevestigd in een joekel van een gebouw, het hoofdkwartier van de drukkerij Toppan. 
Onderweg zag ik dit voorbeeld van ‘airco achteraf installeren’. Fascinerend.

Het was mooi en heel interessant om de geschiedenis van de drukkunst te zien vanuit Japans perspectief. Je moet niet vergeten dat in Korea en China al eeuwen voor Gutenberg met losse drukelementen gewerkt werd. Het vreemde is dat die technologie met losse herbruikbare ‘letters’ vaak niet gebruikt werd omdat die enorm omslachtig was — het ging niet om een beperkt aantal ‘letters’, maar om duizenden ideogrammen. Dan was het simpelweg handiger om een hele tekst met illustraties als houtsnededruk uit te voeren.

In het bedrijfs-café van Toppan heb ik nog even geluncht: een pastaatje met een kop koffie. En toen weer op weg naar de volgende bestemming, die heel toevallig bij een eerder bezoek aan deze hoek van Tokyo weggestreept was omdat de puf toen op raakte: Mori Art Museum in Roppongi.

Die wolkenkrabber op de foto hieronder is Mori Tower. En het museum bevindt zich op 52F. De lift waar je door jonge mensen in business kostuum naartoe begeleid werd (weer zo’n raar baantje) had drie knoppen: 3, 5 en 52.

De tentoonstelling had als titel ‘Machine Love. Videogame, AI and Contemporary Art’ en dat dekte de lading volkomen. Hoewel ik niet zo geïnteresseerd ben in games en computer-animaties werd ik er toch door gegrepen. Sommige video’s en installaties spraken me echt aan. Het was best indrukwekkend.

Ook indrukwekkend: het uitzicht over Tokyo. Nog een verdieping hoger kon je dat rondom bekijken in de Tokyo City View. Een kaartje daarvoor had ik niet gekocht en ik denk dat je er ook niet veel meer te zien kreeg dan vanuit het museum.

Ik heb nog wat rondgekeken in de diverse museumwinkels en (spoiler) wat voor diverse mensen gekocht. Onderaan en onderin de toren en het gebouwencomplex was er natuurlijk ook nog het een en ander te zien, maar van winkels word ik niet bepaald blij, dus die heb ik aan me voorbij laten gaan.

Inmiddels was het vier uur geweest en dat maakte het ingewikkeld om nog een andere ‘attractie’ te gaan bezoeken, nog afgezien van het feit dat veel museums hier redelijk vroeg sluiten. Ik ben dus maar richting hotel gegaan, met de metro, maar drie haltes voor Ryogoku Station ben uitgestapt. Het idee was om nog een goede wandeling te maken en wat couleur locale op te snuiven. De afstand die ik nog moest wandelen was twee kilometer… Misschien een tikje overdreven, maar de teerling was geworpen.
En wat zie je dan onderweg, terwijl langzaamaan de schemering invalt? Dit soort ‘tekstbehandelingen’…

Even na zes wandelde ik het hotel binnen, kreeg mijn bagage terug en stond voor een dilemma: met de vers geïnstalleerde GO-app een taxi regelen of de receptie van het hotel vragen dat te doen. Ik waagde het erop en deed het met de app. Met vier minuten zou er een taxi voor komen rijden. Verwarrend was echter dat op het beloofde tijdstip er drie taxi’s op de oprit stonden. Met de taalbarrière en de stress van het moment werd het ingewikkeld en ik gokte er dus maar op dat de laatste in de rij de voor mij bestemde taxi was.

Bagage in de kofferbak, Bert op de achterbank en de chauffeur reed vol ongeduld slalommend rond de twee taxi’s voor de onze optrekkend, richting Haneda Airport. Dat ging met een rotvaart en na amper een half uur stonden we al voor Terminal 3, waar het nog bijna vijf minuten duurde aleer de goede man het digitale afrekengebeuren rondgebreid kreeg. Wat bleek? Hij kon mij niets in rekening brengen, dat ging via de app. 

Dat was de eerste horde van de terugreis. De volgende was het inchecken van de bagage. Je moest bij een zuil een hele rits vragen op een beeldscherm beantwoorden en dan rolde er een sticker-strook uit voor je koffer. Maal twee dus. Dat ging bij niemand vloeiend waardoor het lang duurde voor je aan de beurt was. Met stickers aan de handvaten kon je naar een volgende ‘automaat’ waar je de koffers stuk stuk voor stuk op een lopende band moest zetten, wat bij mij natuurlijk weer niet goed ging omdat bij de Rimowa het handvat met de sticker buiten het zicht van de scanner viel. Gelukkig kwam iemand dat fixen en verdween de koffer richting Amsterdam (hopelijk).

Volgend etappe: security check. Tegenwoordig sowieso veel gedoe. Ik dacht mijn routine op orde te hebben, dus kleingeld in jaszak, jas in een schaal, broekriem uit de lusjes en op de jas, rugzak in schaal twee, canvassen zak met schaaf en andere koopwaar in schaal drie en hup!
Niks hup. Ik moest drie keer door de personen-scanner, werd vervolgens nog gefouilleerd (altijd genant), reclameerde mijn spullen, maar… vond de schaal met de canvassen tas niet terug. Die bleek beland te zijn bij een strenge juf, die me na enig heen en weer verbood die tas mee te nemen het vliegtuig in. (Daarin dus de schaaf die ik bij Inoue-san gekocht had.)  Ik kreeg een plastic kaart en werd uitgeleide gedaan naar de zaal voór de security check en moest terug naar de incheckbalie om de tas als ruimbagage in te checken. Dat ging redelijk vlot en ik mocht, met die mij gegeven plastic kaart zwaaiend, met voorrang door de security via de crew-ingang. Waar ik wel weer gescand werd (dus riem af etc.).

Dat was allemaal niet jofel. En dan nog een uur of drie stuk te slaan voor vertrek. Aan contanten had ik nog iets van zevenentwintighonderd Yen en een fractie. Bleek net genoeg te zijn voor een schaaltje met tien niigiri! Die waren lekker en een passende laatste maaltijd in Japan.

Ik had, met de ervaring van de heenvlucht in gedachten, voor de reis terug Premium Economy geboekt en dat houdt in dat je in een van de eerste groepen mag boarden, je een veel ruimere zitplek hebt en champagne krijgt! 

Uiteindelijk vertrok de Boeing 777-300 een kwartier te laat en kregen we van de gezagvoerder te horen dat de vlucht naar Parijs langer ging duren dan eerder verwacht. De transfer op Charles de Gaulle kon dus weleens krap worden.

Het voorgaande schreef ik in het vliegtuig, terwijl die zo’n vier uur onderweg is. Hoe de reis verder verloopt pakken we later op.

Later is dus nu. Ik ben deze post aan het afronden op maandag, Tweede Paasdag. Mijn ergernis en ook verbazing over wat mij na de vlucht van Tokyo naar Parijs allemaal overkwam, is inmiddels een beetje verwerkt. Maar het blijft opmerkelijk dat wat in één land perfect functioneert, ergens anders zo achterlijk slecht geregeld kan zijn. In mijn geval was dat de aansluiting in Parijs en de treinreis vanaf Schiphol naar Enschede.

De vlucht naar Parijs vertrok met een lichte vertraging en ging langer duren dan eerder aangegeven: 15 uur en 20 minuten vliegen. Aangezien er oorspronkelijk een uur en vijf minuten voorzien was voor de transfer op Charles de Gaulle, ging ik die aansluitende vlucht niet halen. Dat werd tweeëneenhalf uur later vertrekken. Ter genoegdoening kreeg ik van AirFrance een voucher ter waarde van elf euro die ik kon gebruiken voor een hapje en een drankje. Een broodje en een café creme bij Paul (dezelfde keten die ik in Kyoto bezocht had, waar ik exact hetzelfde broodje heb gegeten!) kon ik er net niet mee afrekenen; ik moest 1,50 bijpassen.

Het vertrek van de vervangende vlucht werd tot drie keer toe uitgesteld & bovendien veranderde de gate, wat ik pas vrij laat doorhad, waardoor ik me moest haasten en zelfs rennen om nog op tijd te zijn voor het boarden.
Maar uiteindelijk ben ik meer dan drie uur later dan gepland op Schiphol geland. En lukte het me zowaar om vrij vlot om in de intercity naar Amersfoort te belanden. Doch, en nu lijkt dit het thema van de terugreis van B te worden: de trein vertrok niet. Tien minuten na de officiële vertrektijd kwam de verklaring over de intercom: technische problemen met een deur. Een paar minuten later vertrok de trein alsnog. Er werd nog even op gezinspeeld dat een deel van de vertraging nog ingelopen ging worden, maar een lang oponthoud tussen Bussum/Naarden en Hilversum drukte die hoop weer de kop in. De kans op aansluiting in Amersfoort op de intercity naar Enschede was inmiddels heel ruim verkeken. Gelukkig (en ik gebruik dat woord hier met een ironische intonatie…) kon ik de internationale trein naar Berlijn nog net halen.
Die met een gezapig tempo richting Twente tufte en mij afleverde in Hengelo. Alwaar ik 20 minuten mocht wachten op de intercity naar Enschede. Waar ik achteraf gezien in Amersfoort net zo goed op had kunnen wachten.

Maar vrijdagmiddag om twintig over twee was ik eindelijk thuis. Ruim 38 uur nadat ik donderdagochtend wakker was geworden in Tokyo. Zes uur later ben ik gaan slapen. Ik denk dat ik gedroomd heb over het perfecte OV in Japan.