Humerusfractuur

Dat is sjiek voor ‘gebroken bovenarm’ — in dit geval mijn linker. Zondag 16 september viel ik ongelukkig toen ik van mijn dak afklom. Ik ben eerder hard gevallen – één keer moest ik heel lang naar adem happen aleer mijn longen weer deden wat ze moesten doen, een andere keer was ik een tiental tellen buiten westen, om nog maar te zwijgen over een aantal incidenten gedurende skivakanties — maar nu leek het mee te vallen: ik wist nog net te vermijden dat ik hard op mijn achterhoofd terecht kwam en kon al snel inventariseren wat er met me aan de hand was.

Niet veel, leek het. Ik had lucht, was geen stukje van de film kwijt. En alles zat er nog aan. Mijn linkerarm lag netjes naast me. Dacht ik. Want die had wel iets andere kleding aan dan de rest van mij, constateerde ik al snel. En hij werd steeds doorzichtiger. Ik lag dus OP mijn arm — die zojuist opgeloste arm was door mijn brein gegenereerd op basis van foute informatie. Uit de kom, was mijn eerste inschatting, want het ledemaat hing er stom bij, toen ik moeizaam opgekrabbeld was.

Bij de eerste hulp, een uurtje nadien, was mijn inschatting niet te handhaven. De bovenarm was gebroken. Duidelijk te zien op de x-ray, waar twee botdelen deden alsof ze elkaar niet wilden kennen.

Die scheiding werd twee dagen na het ongeval verholpen middels een operatie (een antegrade T2 grendelpenfixatie). Dokter Krol, trauma-chirurg, verrichtte die. Ik was er niet helemaal bij, maar het lijkt succesvol verlopen te zijn. Mijn linkerhand helpt al weer bij het typen.

Wijze les: niet vallen. Nog wijzere les: als je dan toch valt, doe dat in Nederland. We hebben wat dit soort zaken betreft het heel goed voor elkaar. Vier euro per maand meer ziektekostenpremie in 2019? Je hoort mij niet klagen!

Van het kastje…

Ik ga het simpelweg chronologisch doen — en ter informatie: het gaat om een tussentijdse controle van een dagelijkse medicatie. En die pillen zijn bijna op.

Ruim voor de pillen op zijn (noem het voorgevoel, of argwaan), haal ik op dinsdag een laboratoriumformulier op bij de assistentes van mijn huisarts. Ik heb nog tien pillen. Continue reading

Medisch carousel

Er is voor alles een eerste keer. Dat geldt ook voor mijn introductie tot de nationale gezondheidszorg.

Na lang gedubd te hebben over weinig samenhangende en ook weinig betekenende symptomen die ik ervoer (allemaal hoogstwaarschijnlijk terug te voeren op het algemene begrip ‘ouder worden’), nam ik een tijdje geleden de stap om me te wenden tot de daarvoor opgeleide mensen — de medici.

Een eerste ronde met mijn huisarts leidde niet tot een conclusie. Medici noemen een conclusie trouwens een diagnose.

Bij ontstentenis daarvan word je dus als zorgconsument doorverwezen naar de volgende fase van gezondheidszorg: de specialist.

Mijn eerste afspraak met een in de interne geneeskunde gespecialiseerde arts, ging niet helemaal zoals het moest; ik was een dag te laat. Dat gebeurt als je geen agenda voert en een vrij zorgeloos bestaan leidt.

Op de tweede afspraak was ik goed voorbereid — niet alleen liet ik mij er 24 uur eerder door een app aan herinneren, ik had ook al wat van mijn symptomen op papier gezet. Ik had dus alle antwoorden paraat, voor het geval dat.

De arts bleek een jonge vrouw te zijn die over een (zeker voor een medicus van het stempel dat ik ken) uitgesproken mate van empathie beschikte. Zoals heden ten dage gebruikelijk tikte zij mijn antwoorden op haar vragen in hoog tempo in een computer. Toch verloor zij weinig oogcontact, wat weer niet erg modern is. Ik denk dat ze goed is in haar werk. De bazen krijgen veel op papier & de patiënten aandacht. Dat heet ook wel het beste van twee werelden, maar daar heb ik niet zoveel verstand van als van grafische vormgeving.

Het onderzoek ging na een uitgebreide vraag-en-antwoord sessie over naar iets meer fysieks. Luisteren naar diep zuchten met een stethoscoop, kloppen op weke plekken, enzo meer. Dat liet ik dus maar gebeuren.

Zij had kort geknipt, krullend bruin haar, grote ogen en een ranke hals. Als ik dertig jaar jonger was geweest (of 25, wat maakt het uit), was ik met haar gaan flirten. Maar vijfentwintig jaar geleden (en ook 30) was ik meer gesteld op blond en/of rood.

Zo verkeert het.

Na het onderzoek ging ik nog op een speurtocht door het ziekenhuis (A25, D15, het had ook Battleship kunnen zijn!) en werden er een hartfilmpje en een longfoto gemaakt. Waarom een filmpje met zuignappen gaat en een foto met een grote plaat werd me niet duidelijk. Wel dat er veel aardige mensen in het ziekenhuis werken.

Maar dat ik ze aardig vond kon er ook mee te maken hebben dat ik beleefd en vriendelijk tegen ze was. Volgens mij komt dat niet vaak genoeg voor. Het helpt wel bij het intermenselijk verkeer, denk ik.

Over een tijdje word ik gebeld door de interniste over de resultaten van de onderzoeken, misschien is er zelfs een diagnose! Daar verheug ik me nu al op — niet op de diagnose, maar op het telefoontje. Maar ik vraag me wel af hoe het zit met de plas die ik nog zou moeten inleveren. Denkelijk komt daarover nog een schrijven met instructies. De zorg is in ons land zeker administratief goed geregeld. En ik betaal trouwens zelf al deze onderzoeken. Dat heet eigen risico.