Rondje Miep

Het was al weer een tijd geleden dat ik naar Mieps graf was geweest, en dat zat me dwars. Vaak nam ik me voor te gaan, maar er kwam altijd iets tussen (aanhalingstekens plaatsen naar eigen inzicht).

Vandaag dus een rondje gedaan. Rondje omdat ik ook haar huisje in het bos aandeed. Daar was ik al zeker vier jaar niet geweest, vooral omdat het me naar de keel greep als ik er naartoe ging (tikje dramatische uitdrukking, maar het is letterlijk zo).
Ik ben eromheen gelopen; de luiken waren dicht, het exterieur zag er goed uit, met uitzondering van dat ene luik achter, dat altijd verfblazen vertoonde en nog vertoont. Heb toch even naar binnen gegluurd — er stonden van die ‘overbodige’ meubels, die niet echt bij elkaar pasten; wat voor een vakantiehuisje natuurlijk moet mogen kunnen.
De nieuwe eigenaar had een nieuwe schuur gebouwd op dezelfde plek als de oude, gammele van Miep; en ook een brandhoutopslag een stukje verderop, waar de schommel vroeger was. En er stond zo’n ronde trampoline in een buisconstructie waar kindertjes hun nek op kunnen breken.
Het viel me mee, qua gevoel dus.

Rond Mieps graf had mos het eindelijk gewonnen van al mijn pogingen middels laaggroeiers, kruipplanten, gemengd bloemzaad, etcetera, daar wat meer van te maken dan blote aarde. Aan beide zijden groeide het tot tegen de zerk. Het hoofdeinde was nog steeds begroeid met de vage planten die er al stonden voor de zerk geplaatst werd; die zal ik binnenkort eens wieden, zodat ook daar het mos zijn gang kan gaan.

Miep hield van mos.

Een natte grafzerk

Vroeg in de middag reed ik naar Buurse. Bij het tanken had ik mezelf getrakteerd op een Magnum Almond. Dat maakte dat ik in een goede stemming verkeerde, ondanks de voortdurende regen en de wind die af en toe het Smartje flink heen en weer zwiepte.

Haar huisje was nog net zo leeg en verlaten als de vorige keer dat ik er was. Geen post, dat viel mee. Veel mos, dat had ze mooi gevonden. Toen ik wegreed, slippend in de modder, zei ik tegen mezelf dat dit de laatste keer was. Er is niets meer voor me op die plek.

De grafzerk glom van het water, de regen was even wat minder heftig, maar de wind deed zijn best om me omver te blazen. De inscripties waren amper te lezen; ik moest even naast het graf gaan staan om met mijn hand te voelen — haar naam stond wel degelijk in het graniet.

Toen nare gedachten in me opkwamen ging ik weer. Op de terugweg (ik reed om, met als smoes dat de accu opgeladen moest worden) haalde ik enveloppen en plakband.

Het Olympische Winterspelen zijn net begonnen. Ook boeiend…